Hoofdlijnen van de bachelor-master Sociale Geografie
Het programma beslaat in totaal vier jaar: drie jaar, verdeeld over zes semesters voor de bacheloropleiding en één jaar — twee semesters — voor de masterfase, soms iets langer. De bacheloropleiding is opgezet als ‘dedicated’ bacheloropleiding: vanaf het begin heeft de opleiding het karakter heeft van een vooropleiding voor de daarop volgende masteropleiding. Na drie jaar krijg je — als alles goed gaat — een diploma waarmee je het recht hebt om door te gaan met één van de masterspecialisaties. Natuurlijk kun je ook met dat diploma de arbeidsmarkt op of elders een master-opleiding volgen, maar de kronende afsluiting van je academische opleiding blijft de mastertitel. Volgens het bachelor-master-systeem kunnen master-opleidingen bovenop het bachelor-diploma nog specifieke extra eisen stellen. Aangezien onze bacheloropleiding echter specifiek gericht is op onze eigen masteropleiding met haar vijf spacialisaties stellen we geen additionele eisen aan onze eigen bachelorafgestudeerden.
Elk bachelorsemester heeft een thema en een perspectief van waaruit men dat
thema bekijkt. Er zijn er vijf, het laatste semester van de bacheloropleiding is
gereserveerd om je bachelorthesis te schrijven. Het basisstramien van de studie
is tijdens elk van de bachelorsemesters het zelfde:
Je volgt een aantal basisvakken waarin veel kennis over het thema wordt
aangedragen en uit een integratieprogramma waarin je leert die kennis te
combineren vanuit het betreffende perspectief. In een project kun je je kennis
en vaardigheden aan de hand van een concreet voorbeeld samen met medestudenten
in de praktijk brengen. Ter ondersteuning wordt daarbij ook veel aandacht aan
communicatieve vaardigheden, onderzoeksmethoden en wetenschapsfilosofie
geschonken en leer je in een aantal disciplinaire vakken ook de specifieke wijze
van werken en denken van de sociale geografie kennen. De studierichting bestaat
dus uit de volgende doorlopende elementen:
Vier programmalijnen
Het programma omvat vier programmalijnen:
Disciplinaire profilering
Binnen de disciplinaire profilering maken van de methodologische en conceptuele eigenschappen van de Sociale Geografie eigen. Dit gebeurt grotendeels door afzonderlijk onderwijs voor de studenten Sociale Geografie. Tegelijkertijd is er echter in gemeenschappelijk onderwijs voor sociaal-geografen, planologen en milieukundigen ook de nodige aandacht zijn om studenten met elkaars denkkaders te confronteren; zij werken in de beroepspraktijk immers ook vaak samen.
Methoden en technieken
Sociaal-geografen, planologen en milieukundigen maken deels gebruik en moeten kennis hebben van dezelfde methoden en technieken. Deze komen aan de orde in de tweede programmalijn. Daar waar de methoden en technieken tussen deze disciplines verschillen worden ze apart aangeboden. Ook filosofie en communicatieve vaardigheden vallen in deze programmalijn. Deze ondersteunende vakken krijgen met name in het eerste jaar veel aandacht, zodat je er optimaal profijt van hebt in de rest van je studie.
Studieobjectgerichte themavelden en praktijkgerichte perspectieven
Sociaal-geografen, planologen en deels ook milieukundigen bestuderen grotendeels dezelfde verschijnselen of anders gezegd: ze hebben een overwegend gemeenschappelijk materieel studieobject. Dit ‘materieel object’ laat zich op pragmatische wijze in vijf themavelden onderverdelen, waarin steeds een bundel van maatschappelijk relevante ruimtelijke processen op de voorgrond staat. Bij de gemeenschappelijke behandeling van deze thema’s worden ook de verschillen in de specifiek disciplinaire benaderingswijzen behandeld. Ook de samenhang tussen de verschillende themavelden wordt duidelijk gemaakt. Ieder thema bekijk je vanuit een ander perspectief, dat logisch op de andere aansluit. Het eerste thema is vooral oriënterend, het tweede thema explorerend en inventariserend en het derde thema meer analyserend en verklarend bekeken. Het vierde thema stelt vooral de institutionele context waarbinnen in de praktijk door bedrijven, instanties, maar ook door individuen gewerkt wordt en (ruimtelijk) beleid gemaakt wordt aan de orde. Ten slotte wordt er in het kader van het laatste thema vooral gekeken naar alle praktische en technische ‘ins’ en ‘outs’ van concrete praktische projecten. Zo leer je al doende alle verschillende fasen van het werken als Sociaal Geograaf kennen.
| Bachelor | ||||||
| Perspectief | ||||||
| Semester en Thema | Oriëntatie | Verkenning | Verklaring | Institutio |
Beleids |
|
| 1.1 | Introduction | |||||
| 1.2 | Stad en land | |||||
| 2.1 | Regionale ontwikkeling | |||||
| 2.2 | Mobiliteit en omgeving | |||||
| 3.1 | Omgevingsbeleid en maatschappelijke verandering | |||||
| 3.2 | Bachelor-scriptie | |||||
| Master | ||||||
| Semester | Master-specialisatie | |||||
| 4.1 4.2 |
Economic geography | Globalisation, migration and development | Urban and cultural geography | Europe: borders, identities and governance | Conflicts, territories, and identities | |
| Educational geography |
Integratieve opdrachten en projecten
Ieder semester vormt ook inhoudelijk een geïntegreerde eenheid. In iedere programmalijn wordt een verbinding gelegd met de andere programmalijnen in hetzelfde semester. Daarnaast richt een aparte programmalijn zich expliciet gericht op het integreren van al die inzichten. Dit gebeurt in onderzoek- en ontwerpgerichte opdrachten en projecten, waarin zowel de objectkennis, alsook de methodisch-technische kennis en ook de disciplinespecifieke inzichten en benaderingswijzen aan de orde komen.
Vijf processen
Je verwerft je kennis en inzicht in het materiële object van de sociale geografie door je te verdiepen in een vijftal processen, ook wel ‘thema’s’ genoemd. De procesbenadering brengt de open dynamiek en de oorzakelijke verbanden van de sociaal-ruimtelijke organisatie van onze samenleving tot uitdrukking. Je leert inzien dat in alle processen verschillende schaalniveaus onderscheiden kunnen worden die aan elkaar gerelateerd zijn. Zo wordt b.v. stedelijke ontwikkeling zowel door nationale en internationale ontwikkelingen, maar ook door ontwikkelingen op het niveau van stadswijken en individuele huishoudens of bedrijven beïnvloed. En ook regionale ontwikkeling is niet meer van mondiale ontwikkelingen los te zien. In elk bachelorsemester staat één van de vijf in thema’s vervatte processen centraal:
Introductie
Sociaal-ruimtelijke vraagstukken zoals we die dagelijks tegenkomen in een dicht bevolkt land als Nederland of in een complexe Europese context hebben veel te maken met de onderlinge strijd om concurrerende claims op onze omgeving. In deze context ís het buiten kijf dat Ruimtelijke Wetenschappen in het algemeen, en Sociale Geografie in het bijzonder in hoge mate relevant zijn. Geography matters!!!
Stad en Land: omgeving en maatschappij (urbane en rurale transformatieprocessen)
Een steeds groter gedeelte van onze samenleving leeft in urbane centra (steden), waar zich en groot deel van de economische en culturele activiteiten concentreert. De vitaliteit van steden en met name ook van de binnensteden bepaalt voor een groot gedeelte de kwaliteit van de leefomgeving voor bedrijven en burgers. Tegelijk zijn deze urbane centra in toenemende mate een bron van sociale en sociaal-ruimtelijke problemen. De groei van steden en van een urbane levenswijze worden ook als bedreiging voor de natuur en de (rurale ofwel landelijke) ruimte rondom steden gezien. Vanuit een ander oogpunt worden de daarmee verbonden moderniseringsprocessen in het rurale gebied echter ook als kans gezien. De transformatieprocessen in urbane en rurale gebieden worden steeds meer tot brandpunten van de sociaal-ruimtelijke ontwikkelingen in onze samenleving.
Regionale ontwikkeling: groei en duurzaamheid (duurzame regionale ontwikkelingsprocessen)
In dit themaveld staan de relatie tussen economische ontwikkeling en de ontwikkeling van de omgeving centraal. Deze relatie bekijk je op verschillende schaalniveaus (lokaal, regionaal, nationaal, Europees, maar ook mondiaal) en je onderzoekt welke mogelijkheden er zijn hierop door beleid invloed uit te oefenen. Ook besteden we aandacht aan de onderlinge verwevenheid tussen deze verschillende handelings- en beleidscontexten aandacht. Jeleert zien welke rol de verschillende actoren spelen en hoe bepalend de regionale context is. Zo gatt het in de derde wereld met name om individuele initiatieven, om familiaire verbanden en informele netwerken, maar ook om gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties. In de Europese context zijn bedrijven, bedrijfsorganisaties en verschillende overheidsorganisaties belangrijke actoren. Veel van het ‘beleid’ inzake daadwerkelijke ingrepen in ruimte en duurzaamheid vereist daarom vervlechting tussen publieke en private actoren. Dit kan de vorm aannemen van bedrijfslocatieontwikkelingssystemen, van private productie van omgevingsprojecten en van publiek-private samenwerking bij ontwikkeling en beheer van mobiliteitsketens, etc...
Mobiliteit en omgeving: instituties en discoursen (ruimtelijke interactieprocessen)
Bij het thema ‘mobiliteit’ in de breedste zin van het woord als één van de vooraanstaande ruimtelijke interactieprocessen komt de spanning naar voren tussen collectieve omgevingskwaliteiten en individuele voorkeuren van actoren. Om een duurzame omgevingskwaliteit te garanderen dient het aanbodgerichte beleid gericht op (infrastructurele accommodatie van geaggregeerde trends) aangevuld te worden met vraaggericht beleid (beïnvloeding van de individuele handelingsbeslissingen van actoren). Veel van het officiële ‘beleid’, zoals het bevorderen van openbaar vervoer en het terugdringen van het gebruik van de auto, beperkt zich tot retoriek als niet duidelijker wordt hoe voorkeuren en handelingen tot stand komen en beïnvloed kunnen worden. Vragen die hier centraal staan betreffen de mate van ‘autonomie en onstuurbaarheid’ van sommige maatschappelijke trends, zoals de toenemende behoefte aan ruimte, aan mobiliteit en aan individuele verplaatsingswijzen en welke mogelijke nieuwe vormen van beleidsinterventies desondanks in staat zijn om de ‘tragedy of the commons’ te voorkomen.
Omgevingsbeleid en maatschappelijke verandering: projecten en processen (ruimtelijke differentiatie processen)
Ruimtelijk handelen van mensen, bedrijven, instituties en organisaties is de kern van het sociaal geografische onderzoeksobject. Ruimtelijk handelen is voor ons bewust of onbewust ruimtelijk gedifferentieerd en differentiërend gedrag. Het gaat daarbij gedeeltelijk dus ook om bewust gepland handelen. Een bijzondere vorm hiervan is het ruimtelijk en milieubeleid. Het ruimtelijk beleid legt vast wat waar mag c.q. moet en richt die ruimte navenant in. Het milieubeleid probeert onze omgang met de omgeving in goede banen te leiden en zo de kwaliteit en duurzaamheid van de ruimte en het milieu om ons heen te verbeteren. Het ruimtelijk en milieubeleid van overheidinstanties verschilt wat dat betreft niet veel van het beleid dat bedrijven ten aanzien van hun omgeving toepassen of ons eigen gepland ruimtelijk gedrag. Daar komt nog bij dat het ruimtelijk en milieubeleid er ook op gericht is het ruimtelijk gedrag en de beleving van de ruimte van de verschillende actoren in onze samenleving te beïnvloeden. Er is dus een nauwe samenhang tussen beleidsprocessen en -projecten en de acties van de verschillende actoren in onze samenleving. Niet voor niets spreekt men tegenwoordig veel van publiek-private-samenwerking en interactief beleid. In het kader van dit thema houden de sociaal geografen zich vooral bezig met de samenhang tussen ruimtelijk beleid en het ruimtelijk handelen van de actoren in de samenleving. Ze brengen dit in samenhang met algemene aspecten van het ruimtelijk gedifferentieerd handelen van mensen, bedrijven en instituties.
Vijf perspectieven
In ieder semester van het bachelor-programma staat tevens één perspectief centraal, van waaruit het materiële studieobject kan worden belicht. Deze perspectieven zijn ontleend aan de gebruikelijke cyclus van het oriëntatie op dringende problemen, via het beschrijven, begrijpen, verklaren van de achtergronden van deze problemen tot het ontwerpen en ten uitvoer brengen van beleidsinterventies. Deze vijf perspectieven zijn:
Oriëntatie
Het oriënteren op en beschrijven van algemene vraagstukken van beleid, organisatie en maatschappelijke ontwikkeling.
Verkenning
Het exploreren van de wisselwerking tussen maatschappij en omgeving gericht op een beschrijving van situaties en ontwikkelingen.
Analyse
Het verklaren en begrijpen van sociaal-ruimtelijke verschijnselen en ontwikkelingen.
Institutionalisering
Het inbedden van deze verschijnselen en ontwikkelingen in de actuele maatschappelijke en politieke instituties en debatten (discoursen) waarbinnen en van waaruit sociaal-ruimtelijk handelen en -beleid plaatsvinden.
Beleidsvoering
Het beïnvloeden van het sociaal-ruimtelijk functioneren van onze samenleving in de vorm van processen en projecten.
Alles over het master-programma en de diverse master specialisaties vind je hier.







