Angela Uytdewilligen
| Graduated in | 1992 |
| Function | Beleidsadviseur |
| Organisation | Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) |
| Work Place | Den Haag |
| Motto | "Ik wilde naar de sportacademie" |
Angela Uytdewilligen zag haar toekomst in het onderwijs, sport was haar leven. Als economisch geograaf is ze nu beleidsadviseur milieu van minister Pronk. Een hectische baan, maar leuk en interessant. Sociale geografie was een tweede keus, waar ze achteraf heel gelukkig mee is.
""Officieel ben ik een van de zes beleidsadviseurs van het Bureau van de Secretaris Generaal (BSG voor insiders), de hoogste ambtelijke baas van het departement. We ondersteunen de secretaris generaal, zijn plaatsvervanger, de minister en de staatssecretaris en hebben allemaal onze eigen portefeuille. Het hangt van de taakverdeling tussen staatssecretaris en minister af met wie je het meest te maken hebt. Ik beheer de portefeuille milieu en daarom werk ik vooral voor de minister. Ik lees alle stukken die er uitgaan, maar ook alle informatie die naar hem toegaat. Als er onduidelijkheden zijn of de informatie is onvolledig, dan zoek ik dat uit. Ik wijs de minister op ongerijmdheden, woon alle vergaderingen en bijeenkomsten bij die hij heeft over milieuaspecten en adviseer hem. Ik ben bijvoorbeeld ook betrokken bij de ontwikkeling van het vierde nationaal milieubeleidsplan.
Het is een heel hectische baan, ik word geleefd door de vier mensen die ik van informatie moet voorzien. De agenda van de minister is voor mij bepalend en die verandert heel vaak. Tegelijk is het een hele leuke baan, ik leer er veel van. Het is ook lekker dat ik mijn eigen toko run, we werken op het BSG heel zelfstandig.
Naast mijn werk doe ik minder dan ik gewend was, voor bestuursfuncties en dergelijke maak ik even geen tijd meer vrij. Ik maak lange dagen, van 's morgens 8 tot 's avonds 7 en bovendien minimaal een avond in de week hier op het departement. Als ik meega op werkbezoek, is het vaak 10 uur voor ik thuis ben; een vergadering van de Kamer loopt soms uit tot diep in de nacht. De baan is zo boeiend, dat ik het niet erg vind om hard te werken. De weekenden werk ik in principe niet. Binnenkort wordt het ook een dag per week minder, dan krijg ik mijn eerste kind.
Ik ben hier gekomen via een baantje op het onderzoeksbureau van STEC, de studentenvereniging van sociale geografie. Ik was op zoek naar een opleidingsplaats bij een bedrijf, bijvoorbeeld een bank. Een medewerker van VROM, die in Nijmegen sociale geografie had gedaan, benaderde STEC of we afgestudeerden wilden tippen dat er een instroomproject kwam bij VROM. Ik heb me aangemeld voor een van de vier opleidingsplaatsen en werd na een grondige selectie aangenomen. Ik begon in maart '93. Het opleidingstraject omvatte zes projecten, elk van een half jaar en steeds binnen een ander onderdeel van VROM. Een fantastische manier om zo'n grote organisatie - er werken hier 4000 mensen - te leren kennen. Tegen het eind van het opleidingstraject kreeg ik de kans hoofd te worden van een kleine stafafdeling bij de centrale directie Financiële en Economische zaken, waar de begroting gemaakt en bewaakt wordt. Daar heb ik veel geleerd over management en over mensen: hoe interessant ze zijn, hoe lastig ook, hoe moeilijk het soms is mensen te motiveren en te zorgen dat ze zich prettig voelen in hun werk.
Na twee jaar kreeg ik een hernia. Een operatie en vier maanden later kwam ik terug, maar op mijn plaats zat intussen een vervanger. Dat liep goed en ik had er geen bezwaar tegen weer eens verder te kijken. Tegelijk kwam deze plaats vrij bij BSG en daar werd ik voor gevraagd. Dat is het voordeel van zo'n grote organisatie, er is altijd wel een plaatsje vrij. Ik ben daar ook makkelijk in; de ene taak is leuker dan de andere, maar in vind het prima regelmatig aan iets nieuws te beginnen. Over een poosje wil ik wel weer managen, maar voorlopig bevalt deze positie me uitstekend.
En dan te bedenken dat de studie sociale geografie voor mij eigenlijk geen serieuze optie was, ik wilde naar de sportacademie. Helaas werd ik daarvoor afgekeurd, dus ik moest hals over kop iets anders zoeken. Sociale geografie was dus een soort noodsprong. Ik had niet echt een idee wat het inhield, behalve dat het iets met aardrijkskunde te maken had. Ik kende een paar mensen die het gedaan hadden, waaronder een inspirerende aardrijkskunde docent.
Ik heb wel goed nagedacht over de stad. Het werd Nijmegen, omdat de stad niet zo akelig groot is en ook de studie kleinschalig is. Een andere reden was het grote aantal afstudeerrichtingen. In mijn eerste jaar verdwenen die grotendeels, maar er waren genoeg mogelijkheden om de studie in te vullen zoals ik het wilde.
Ik heb me gespecialiseerd in economische geografie, eigenlijk vooral omdat de mensen waar ik mee omging, dat ook deden. Heel vreemd, de milieuvakken vond ik heel interessant, maar die koos ik niet. Ik heb ook nog wat extra vakken gevolgd bij economie in Nijmegen en bij bedrijfskunde in Eindhoven.
Het belangrijkste van de studie vind ik niet de vakkennis, maar vooral de academische denkwijze en vaardigheden. Studiekeuze is niet bepalend voor een carrière, het afgestudeerd zijn wel. Doorslaggevend zijn persoonlijke factoren: zelfstandigheid, motivatie, enthousiasme en gedrevenheid, communicatieve vaardigheden, stressbestendigheid. Allemaal dingen die je tijdens je studie kunt leren, als je er oog voor hebt.
Een van de leuke dingen van sociale geografie vind ik dat het zo breed is; op de meest onverwachte plekken kom ik mensen tegen die sociale geografie hebben gedaan. Je kunt zelf de richting van je carrière bepalen, het ligt niet vanaf het begin vast. Achteraf ben ik blij dat ik afgewezen ben voor die ALO, volgende keer kies ik direct sociale geografie.""




